Zieke breinvlaag. De tuba en de nier.

Tuba.

Mijn broertje ontdekte ooit plezier in muziek. Zijn ouders kenden die wereld niet en ‘deden hem op les’, niet op les voor een zelf bestemd instrument, neen je ging bij ons in die tijd bij de fanfare, bij de Harmonie het liefst. Niks mis met het optochtorkest, maar men had daar wel de nare gewoonte een jongeling eerst op zijn plichten te wijzen, muziek was bijzaak. Hoofdplicht was het accepteren van het zogenaamde vrije instrument… Mijn broer had op de gitaar, de drums, of zelfs op de viool gehoopt. Zijn vader speelde verdienstelijk op de zingende zaag. Meneer Pommade als dirigent van het dweilorkest besloot voor mijn broertje, dat het de Tuba werd…

Mijn broertje kon zich in die toewijzing niet vinden en gaf de Tuba aan Maarten. Hoe het Maarten sindsdien is vergaan weet ik niet. Mijn broer heeft daarna geen muziekinstrument meer aangeraakt, jammer. Hij is daarna wel gelukkig en een verdienstelijk visser, biljarter, kok, autocoureur, darter en een zzp’er in loondienst geworden. Kortom een kerel waar ik graag mee gezien word.

Nier.

Op een middag zat ik in het Twenteborg Ziekenhuis tegenover een nierspecialist, ’s mans interesse voor de medemens was kennelijk niet verder aangewakkerd. Kortom een kerel waarmee ik liever niet meer gezien wil worden.

Naast mij zat mijn doodsbenauwde moeder. Dagen, wekenlang had zij op verzoek van de dokter tegenover haar, nagedacht of zij aan een nierdialyse zou (mogen) beginnen. Haar leven liep af. Dat voelde zij ook wel, maar een mens houdt hoop tot het op is en de dokter zou doen wat hij kon – geloofde zij. Mijn moeder, die lange tijd een foto van haar huisarts op de kast had staan klampte zich in tijden dat dominee met vakantie was nog meer aan die surrogaatgoden vast. Deze dokter was een specialist, ‘hij moest dus nog knapper zijn dan een gewone huisarts’, had haar echter tot dan toe geen houvast gegeven.

Of ik niet eens met hem wilde praten had mijn moeder mij gevraagd. “Misschien begrijpt de dokter jou beter” …

De nefroloog zat aan een opgeruimd bureau en had een witte kiel aan, waarvan het bovenste knoopje alvast was losgeknoopt. Zij colbertje met feeststrik drong zich nogal irritant op. De nefroloog was misschien met zijn hoofd al de deur van het ziekenhuis uit, of misschien was dat feestje wel in het ziekenhuis, je kunt werk en privé toch niet altijd maar gescheiden houden, toch. Patiënten zijn in een ziekenhuis immers ook wel eens blij. Nou dan.

Fanfare.

Waardoor koppel ik Nefroloog toch zo met naar de dood verlangen – de zijne welteverstaan? Mogelijk had de dokter, net als mijn broertje, bij de universitaire fanfare de Nier toegewezen gekregen en zich daarin wel geschikt. Van enige interesse in andere delen van mijn moeder leek absoluut geen sprake.

Ziek.

Mijn moeder deed nog eens verslag van haar besluiteloosheid en zij hield daarbij uit aangeleerde schaamte haar hand voor haar mond: mijn moeder had een onoverwinnelijke angst voor de tandarts namelijk. Ik vroeg de dokter om enkele scenario’s met ons door te lopen voor als we niet of wel tot behandeling zouden besluiten.

De dokter schikte het dossier van de patiënte en zijn strik … Het dossier repte van een wilskrachtige vrouw, die met haar psyche een enorme lading lijfelijk ongemak had overleefd, exclusief het geboren laten worden van haar drie zoons. Mijn moeder had diverse aanslagen van binnenuit overleefd: galstenen, reuma, suikerziekte, gordel- en wondroos en een versleten kniegewricht herinner ik me. Mijn moeder had daarnaast in haar leven enkele zeer gemene opdonders van buitenaf weten te doorstaan: hetzelfde ziekenhuis had haar – pas na zeer lang aandringen – een nieuw kniegewricht gegund. Niet het plaatsen van het gewricht was de aanslag, maar het onthouden ervan. Enkele jaren was zij daardoor relatief pijnvrij gebleven. Vroeger had het ziekenhuis al eens fors ingegrepen in haar lijf bij een myoom, een vleesboom. Destijds werd nog gewoon de hele baarmoeder verwijderd. Ook al niet om vrolijk van te worden was dat na een laserbehandeling door een Nijmeegse oogarts haar gezichtsvermogen niet meer was teruggekeerd. En wij waren wel degelijk op tijd voor die behandeling. Mijn moeder had haar portie dus wel gehad leek mij zo.

(Minder erg, maar wel lekker, is dat de heer Bokdam junior nog steeds een bekeuring heeft openstaan voor te hard rijden op een Nijmeegse Ringweg; de bordjes met de cijfers 70 erop zijn inmiddels vergroot, nu alleen de cijfers nog ;-))

Slot.

De opgeruimde specialist van de vrije Nier frommelde aan zijn strik en keek op zijn horloge, waarna hij zijn onsterflijke conclusie gaf: “Mevrouw Bokdam … we kunnen het wel lang of breed maken, maar zeg nu toch zelf, met zo’n gebit heeft het toch allemaal weinig zin meer toch …” …

De nefroloog is daarna opgenomen op de intensive care van de afdeling kaakchirurgie met nog niet eerder gediagnosticeerd letsel. Het geschil tussen de feestdokter en de familie Bokdam komt volgende week in cassatie voor de Hoge Raad. Zijn huisarts heeft hem het fietsen voorlopig sterk afgeraden.



Categorieën:Geloof, Muziek, Piketpaaltjes, Sloerig in de rakker, Werk

3 replies

  1. Eind goed al goed 😉

  2. uit het leven gegrepen, als of jij het zelf hebt mee gemaakt, gna gna gna

  3. je schrijft het heerlijk aanschouwelijk en verrast met het einde.
    Heerlijk dat je je uitlaatklep (nee, geen nier 😉 hebt gevonden!
    LoL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: