Breinvlaag 2011-30 Gedaantes in de tunnel

Daarnet liep hij nog langs de spoorbaan, op het pad dat direct naast de rails ligt. Nu zag hij zichzelf vliegen boven de rails. De bielzen van het spoor trokken als een film onder hem voorbij, elke biels een los plaatje, hoe harder hij vloog hoe sneller de film. Zijn blote voeten zaten onder het bloed, nagels zwart. Zijn linker grote teen was uitgegroeid tot een klauw. De rest van zijn voet was bezig zich te krommen. Zijn schouders deden pijn, alles in zijn misvormde lijf deed zeer. Waar eerst zijn armen zaten, zaten nu vleugels, hij vond ze mooi. Telkens weer stootte hij zijn kop tegen het plexiglas, dat de spoorlijn als een buis omsloot met hem erin als gevangene.

Achter hem moest de trein zijn, de trein was er altijd geweest.

Hij kon zijn vleugels niet optimaal gebruiken, de tunnel was niet berekend op zijn enorme spanwijdte. Het vliegen viel hem mee, ook al moest hij zich inhouden in de enge ruimte en voelde het nog wat stijf. Like a bat out of hell.

Hoe deden die werklui op het spoor dat dan, als er een trein aankwam? In de verte leek het spoor zich te versmallen. Kende het wurgende kanaal dan geen genade? Was hij een slecht mens, een rare vogel?

Stressgeluid.

Het gonsde nu luider in de tunnel, als bij een orkestbak in stemming. Iemand sloeg met een hamer op de rails: kedeng kedeng, kom hier lekkerding. De hamerslag was vast en zwol nog verder aan. Kon je een trein die op je joeg zien als een persoon? Is het noodlot iets persoonlijks, of overkomt HET je? Zat er echt een trein achter hem aan, waren ze in dezelfde afgesloten tunnel tot elkaar veroordeeld? Kan een trein winnen van een roofvogel? Van pure opwinding liet hij een scheet. De natuur wil vreten en gevreten worden. Zijn scheet als roofvogel was nog dezelfde als toen hij gewoon mens Franz was, hij had kennelijk nog niet gegeten – als vogel dacht hij.

Zijn bovenbenen waren nu ook helemaal met bruingrijze veren bedekt. Gek genoeg vond hij het normaal dat zijn knieën achterstevoren zaten. Hij vond zichzelf mooier dan in de bruine tuinbroek die zijn ex voor hem had gekocht. Wat zij van hem wilde had Franz nooit begrepen. Met zo’n broek werd je toch op voorhand van alles vrijgesproken. Wat hij wilde zijn, als hij een dier mocht zijn, in bed, bij haar, had ze gevraagd. Een bruine beer en in de winter een ijsbeer had hij gegokt – Franz dacht aan Cornelis Vreeswijk, die door zijn vriendin een teddybeer genoemd werd. Je bent een echt ijskonijn, had ze gesneerd en wellicht had ze gelijk: de kinderen waren zonder uitzondering negen maanden na de winter geboren.

Hoop.

Hij zag iets schimmigs, wat was het? Zou hij gered worden? Hij dacht erover uit zijn droom te stappen, maar hij had geen grip op zijn beelden, hij wist niet of hij wel droomde. Franz besloot geen risico te nemen. Drie keer zes is 18, vier keer zes is 24. Beelden van mijnwerkers diep onder de grond en van vieze gezichten die in een smal liftje naar hun geliefden boven werden gehesen, soms was het onduidelijk wie hun liefste was, kinderen huilden, snorren krulden, vrouwen sloegen kruizen, zweet parelde, de burgemeester glom. Marilyn Monroe kuste Jules Deelder.

Het geluid achter hem was eigenlijk geen echt geluid, meer gerommel, een ongehoorde trilling. De trein kwam er aan en zou hem verpletteren, hij ging eraan. Beelden van aangereden en aangevreten vogels langs de snelweg.

De schim in de verte werd groter, maar daardoor nog niet minder schimmig. Een werkwagon? Met spoorwegarbeiders die zich voortpompten, als in een oude stomme film? In zijn hoofd dreunde de tafel van zes, zijn favoriete tafel als hij gespannen was. Al zijn kinderen had hij op de tafel van zes gemaakt. Seks maakte hem al lang niet meer gespannen, maar nu was daar die tafel toch weer in die tunnel binnengedrongen. Franz zag opeens zijn eigen linke grijns voor zich uit zweven, alleen het gezicht bovenop een wit laken, zoals kinderen spoken zien, een wit wief was hij geworden. Het was ontegenzeglijk zijn eigen bakkes, maar tegelijk ook de tronie van zijn vader en van zijn jongste dochter, van zijn tante Julia en van de lerares biologie die hem altijd onverwacht een beurt gaf. De iets vertrokken mond kon zowel iets goeds als iets dreigends betekenen. Bij de herinnering aan zijn vaders alwetende blik stokte de tafel van zes in zijn droge keel. Acht keer zes is 49, hij haalde de tafels door elkaar en wist niet wat er zo erg was aan die scheve snavels van iedereen die hij niet onmiddellijk begreep, alsof hij er maar niet achter kwam wat zijn vader van hem verwachtte, wat zijn dochter van hem verwachtte, wat wilde hijzelf? Wat had die trein ermee te maken?

De trillingen van de trein waren nu voelbaar & hoorbaar geworden, een zwaar diffuus geluid nog, maar niet langer te ontkennen. Van een eind aan de tunnel geen sprake.

Nergens komt nooit nergens een eind aan, zag hij in graffiti langsflitsen.

Als hij nou maar zeker wist of hij droomde of niet. Het pompwagonnetje voor hem bleek hem tegemoet te komen. Het wagonnetje en zijn behoefte het in zijn broek te doen groeiden.

Redding.

Plotseling was de schim vervangen door het manshoge voeteneind van het bed van zijn ouders. Franz wilde in het hoge ladykant kijken, zien wat pappie en mammie daar deden. Het bed trilde en maakte rare geluiden voor kleine Franz in zijn vogelpak, waar mammie hem persoonlijk ingenaaid had. Iemand trok de pin uit een handgranaat en stopte die in zijn broek. Hij zag zichzelf bloederig uit elkaar spatten in wel 666 stukken, 111 keer zes is … splash.

Om hem heen dwarrelden veren. Een blozend witte vrouw verborg haar gezicht in een laken. Nog vaag zag Franz hoe de trein het bed verbrijzelde en als een vallende ster van hem wegvloog, een schimmenspel dat niets te wensen overliet. Uitgeput en volledig de weg kwijt viel hij in slaap.

Tien jaar woonde hij nu niet meer samen. De kinderen waren het huis uit, de laatste was vorige week op safari gegaan, zoals hij het zelf noemde, een creatief en geinig baasje.

Nadat ze uit elkaar gegaan waren, was de droom op haar plaats in bed gesprongen, als een tochtige merrie. Deze repeterende droom was zijn bolderkar, een probeersel van de geest. Franz kon zich niet meer van haar losrukken.

Uit haar laatste ansichtkaart maakte Franz op, dat zijn vrouw zich nu geheel aan meditatie wijdde.

Bij meditatie dacht Franz aan de tafel van zes.



Categorieën:Dieren, fietsen, Liefde, sexy, Verhalen

5 replies

  1. Uw breinvlagen vallen buiten mijn Schepping, het zijn hooguit probeersels die ik Darwin graag gun, misschien dat hij er nog iets van maken kan.
    Trouwens, als u dan denkt zelf God te zijn, waar was u dan in die werkweek destijds? Of was u incognito als Adam of Eva ha ha ha ha, zuur appeltje hè. Gebbetje meneer Breinvlaag.

  2. Ik vind mijn Breinvlagen een schoolvoorbeeld van de survival of the fittest, in dit geval van mij als Creationist, Daar schep ik ik niet over op, maar wel veel behagen in. En nou jij weer.

  3. Nou moet u heel goed op uw woorden letten, want ik verdraai ze zo, ik ben toch zeker zelf de beste associateur op aarde en daarbuiten. Of wou U soms beweren dat er plaats is voor nog een DAG? Ik ben De enige Associatieve God, zeven dagen per week en dat al jouw hele belabberde leven lang.

  4. U vindt zich een Hele Meneer nietwaar, Meneer Freud? U denkt zelf een beetje voor god te kunnen spelen, is het niet?

  5. U noemt zich Breinvlaag nietwaar? Passende naam voor iemand die zijn creatieve associaties maar een beetje over gods akker laat lopen. Daar kan ik als mens geen touw aan vast knopen, maar ik geen gewoon mens natuurlijk, ik ben de Grote Freud.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: