Een zintuig ruik je niet, burning man wel

Ze zeggen dat je in je slaap niet ruikt. Rookmelders doen dat wel. Dat verklaart veel! Kleine verschillen tussen man en vrouw bijvoorbeeld.

Afgeleid, in een roes

Ik besta dus ik wandel. Vaak in het bos. Het is de laatste tijd vanwege de zweemvlagen, de klepelzweemvlaag om precies te zijn. Een fenomeen die zweem: een geconcentreerde feromonenwolk bedwelmt me onverwachts in het bos.

Écht of een afgeleide werkelijkheid?

Je kunt er niets mee, je bent alleen met jezelf en denkt iets te ruiken dat je Lief toebehoorde. Je kijkt om je heen. Je weet niet wat je ziet. Niets. Alleen bos, no nimf, zelfs geen wit wief. Maar ik rook ze gewoon, zeker weten PJD.

Van slag. Ik hoor de klok 12 uur slaan, maar heb geen idee waar de klepel uithangt. Ik ben op dat ogenblik helemaal de weg kwijt, door de geur van dat specifiek op mij afgestelde feromoon. Kent u dat ook? Heb ik dat alleen? Voor mij ruikt en voelt het nochtans als een sterk afrodisiacum. Maar ik kan haar niet zien, ben me inmiddels niet meer zeker of de geur in het bos of in mijzelf hangt.

Waan of reminiscentie

Als ik die geursensatie zelf wil oproepen, wanneer het mij belieft, lukt me dat niet meer. In die zin lijkt het op dat andere o.a. door Douwe Draaisma beschreven fenomeen: reminiscentie. Vanaf je eind zestigste begint dat: Je wilt je de kleuren van je eerste fiets herinneren, maar geen fiets. Later loop je op vakantie op een Grieks strand, met je gerimpelde voorhoofd onder de arm, tussen prachtige jonge lijven, en plotseling, terwijl je aan ouzo en koppige wijn denkt, je je het volle terras op dat pikante pleintje van vroeger herinnert, fietst daar PJD zomaar, opeens, out of the blue, dat 6-jarige jochie op zijn rood-wit-blauwe Gazelle tussen de kwallen. Dáár wou je op dat moment op het strand niet aan denken, maar het moment dacht kennelijk aan jou en dus troffen jullie elkaar daar, onverwachts, per toeval?

Echt

Gisteren terug naar 2 plekken in 2 bossen op zoek naar zulke geurmarkeringen, zijn het terreinafbakeningen, heeft een oude drift mogelijk de geest gekregen? Maar niets. Wel een verlopen wit wief die dag. Of ze iets van me aan had, wilde ze weten. Nee, niet. Ze was niet echt lelijk, ‘best wel’ gaaf eigenlijk, ‘voor haar lengte en leeftijd’. Als het witte wief niet echt bestaat maar wel op te roepen is, is dat maar zo. Als ik het feromoon, hèt echte lokmiddel niet kan oproepen maar wel onderga in het bos wanneer ik er juist niet op bedacht ben, dan is dat ook maar zo. Verliefdheid is tenslotte ook maar een waan, waarmee te leven valt.

Hoe vaak ik al probeerde de feromonen op te roepen? Ik wéét het niet meer, wel vaak, denk ik. Je wilt je iets te binnen brengen en er komt niets, angst voor dementie steekt de kop op. Daaraan wil je niet herinnerd worden, maar dan schiet je die oude vertrouwde geur te binnen. Is die zweem nou echt, een reminiscentie of een smakeloze waan?

Waan of echt een Kever

Ik moet aan Kafka denken, op een ochtend ben je geen mens meer maar een kever. De kever is in mijn geval misschien een eikenprocessievlinder. Misschien waan ik mij in het bos, mijn neus welteverstaan, in de ongewassen broek van een vroeger Lief. Wie zal het zeggen? Door Corona wandel ik veel in mijn uppie, daar ga ik toch niet van malen? Of toch? Misschien moet ik mijn tweede ik aanlijnen in het bos, of toch juist loslaten? Met een getuige op speurtocht? Dat trekt mij nog het meest. Tot groot verdriet ontglipt de (ingebeelde?) geur ons echter nog voordat we haar kunnen bevatten, mij en mijn vomeronasaal orgaan. En er moet natuurlijk meer onderzoek gedaan worden naar de bosklepelzweemvlaag. Alles heeft immers een reden?

Piekeren

kan afgeleid zijn van pieker(varing)en: een aanvaring met de werkelijkheid, omdat die botst met je fantasie, jouw overtreffende trap van de realiteit? Stop. Volgende zin. Ik pieker door mijn natte neus. 10 minuten geleden nog, hier aan het scherm, keihard geprobeerd die feromenale liefdesgeur uit het laatste stenen strijdperk van mijn verliefdheid op te snuiven. Lukte niet op commando. Wel kon ik beelden oproepen. Dan zie ik een afgeknipte spijkerbroek, slip van de tong, ongeremde sporen van opgewonden streken, maar de geur zelf laat zich niet ‘zien’.

Resumé

Laat me eens formuleren: ik wil aan een gezicht denken en ik krijg dat gezicht in beeld, visueel geheugen intact. Ik kan het gezicht terugzien of er nou een foto aan te pas komt of niet. Haar stem denk ik ook soms te horen, maar dan ook eerder als beeld, waar ik het geluid bij denk. Bij geuren lukt dat niet. Het zien van de geurbron lukt nog wel, maar dat telt niet. In het bos ben ik letterlijk alleen met mijn feromoontje. Niks te zien en het (ingebeelde) ruiken wordt door het speuren ernaar te snel afgezwakt om me er echt tegoed aan te doen. Zou ik dan werkelijk door een heuse geurwaan, een zogenaamde olfactorische waan getroffen zijn? Waar de ‘gewone’ hallucinant spoken ziet, denk, waan, hoop ik in witte wieven het feromoon van mijn Lief terug te vinden. Ik moet dit een keer samen met een vertrouwelinge beleven. Om het zeker te weten èn om uit te vinden of het sekse gebonden is. Er zijn ergere dingen, zoals dat het nooit meer terugkomt.

Wie, wat is zij? Zij, die ons telkens weer het bos in stuurt. Zij, die de verleidelijkste aller geuren is. Help ons en lees verder.

Van horen zeggen, en ik ruik het

Breinvlaag en Zweemvlaag slapen op één kussen, klepeltje aan klepeltje, kussen elkaar op beider slapen. Ze doen het met elkaar. Ikzelf ben daar natuurlijk nooit bij, dat doe je niet. Ik heb ze zelfs nooit gezien, die zweemvlagen, laat staan eentje samen met mijn breinvlaag. Geroken ja! Meer dan me lief is, zou ik bijna zeggen en daar worden wij elke keer weer gek van, ik en mijn alter ego. Gek in de zin van ‘ik hou van jou’. Maar hoe zie jij er uit? Wie ben jij? Kon ik je maar in een flesje stoppen of mijn bovenlip ermee impregneren. Een man ruikt namelijk het liefst zichzelf, misschien alleen een vrouw nog ietsje meer?

De rooklucht van tabak blijft hangen in baard en snor, nu de bos zweemvlaag nog. De verrukkullukste buitenlucht die ik ken.

Marketingstrategie

Een beetje een nattig bos, maar welke boomsoort of ondergrond die geur verspreidt, mij aanlokt? Het is ook niet alleen in mei. Een groot raadsel. Weet u het? Ik wéét het niet! De Plantenman in Dorp wist het ook niet. Hij suggereerde compost. Inderdaad ruik ik bij ons in Dorp soms precies hetzelfde. Altijd bij een romantisch tuin-met-oprijlaanhuis, maar nooit zie ik een composthoop. Toch eens opletten wie of wat daar dan woont en waar de bron zich precies schuil houdt. Hoop doet leven. Maar compost in een bos? Het hele bos is natuurlijk één grote composthoop en nergens wordt er meer voortgeplant dan in het bos.

Sex

Nu u het zegt. Misschien is het bos voor mij de onbewuste associatie met sex? Neeee, zo simpel kan het toch niet zijn? Okee, ik ben man en dus denk ik vaak aan sex, dus waarom niet in het bos. Ik kom er maar niet achter. De aantrekkingskracht van mijn bosparfum heeft zeker iets van de duurdere verleidelijke parfums, een ‘sterke en interessante‘ geur van poep en pis, althans zoals je die inhaleert bij je vriendin op wie je, letterlijk, tot over je oren verliefd bent.

Als breinvlagen klepelgeurvlagen, zweemvlagen, zo noem ik ze voorlopig, elkaar ontmoeten, leidt dat onvermijdelijk tot fantoomgenot, van je neus in de boter, merk fata morgarina, een olfactorische zwijmelarij. Je ruikt het, maar krijgt er geen vinger achter. Is het een marketing strategie van Staatsbosbeheer? Zwaait daar een man of een vrouw de scepter? Heet ze misschien Jacobien Jacobson?

Wild

Ik ben er nauwelijks weg te slaan, uit dat bos met klepelgeurvlagen, opzwepende zwemen van zinnelijk genot en ik tik tik lok lok klok klok lok lok. Ik ruik de klok, maar proef geen klepel, mijn slangentong tast mis. En ik blijf er over mijmeren, zaniken, zeuren, tot ik er hoofdpijn van krijg. Alsof iemand je geblinddoekt en aangestampt met oordoppen, na afloop van een vriendschappelijke wedstrijd, in de kleedkamer van een vrouwenvoetbalteam heeft vastgebonden en nu aan je neusvleugels morrelt, ze openspert, pleister over je mond plakt en je de feromonen van hun borsten laat snuiven. Op de gok. Was ik maar missionaris geworden of uitzendkracht in de bosbouw.

Tante

Mijn tante rook niet lekker meer toen ze oud en door zenuwrot aangetast achter haar raam dood gevonden werd. De geraniums lieten tenminste hun koppies tegen het glas hangen, droegen mondkapjes. Mijn tante had geen man, maar wel, net als haar broer, onze vader, de grote neus van onze familie. “En die is bij jou ook heel goed ontwikkeld, Gerrit Jan” had mijn biologielerares gezegd tijdens het mondeling tentamen met heur hand op heur boezem. Over smaak valt niet te twisten, maar over geur wil ik het nog hebben verderop. Ik denk dat onze families, qua grootte van in het oog springende lichaamsdelen, een match hadden. Jacobien Jacobson was haar naam, de Almachtige hebbe haar ziel en zaligheid, de bofkont, en zij nam mondelinge tentamens bij haar thuis af, iets waar de leraar geschiedenis later ook toe overging, overigens zonder succes.

Brandstof

Mijn tante had een neus met mogelijkheden, zoals dat later eufemistisch heette. Ooit, in een heel ver land, lang lang geleden, zaten wij kinderen eens samengepakt voor een uitstapje achterin haar autootje, toen we onverwachts zonder benzine kwamen te zitten. Bijna dan, een brandend lampje redde ons. Tantes rijden in sprookjes altijd in ‘kleine autootjes’ met lichtjes en fotohangertjes van Poes, ooms voorspelbaar in sleeën met toeters en bellen. Na gedane zaken stapte onze toen nog kwieke jonge tante weer in. Vrijwel onmiddellijk draaide ze het raampje aan haar kant omlaag, snoof, stapte weer uit – en af op de toen nog goedgemutste pompbediende: “Uw benzine stinkt naar stront, betaal ik daarvoor?” De kou kwam niet meer uit de lucht aan de pomp. Nors stapte ze weer in, in wat intussen een broeikas was geworden. “Wat een lucht zeg, daar ga ik nooit meer tanken, jullie mogen achter ook wel even een raampje openzetten, hoor” Intussen keken mijn broer en ik naar ons kleine zusje, dat breeduit zat te grijnzen. Wij lachten ons een kriek, proestend achter onze handjes. Broertjes en zusjes kennen de scheetjes van hun broertjes en zusjes, kunnen ze zelfs foutloos van elkaar onderscheiden. Het zou een leuke dag worden. We zouden haar dollen, onze verwentante.

Waar rook is

Van het loeiharde geluid van een rookmelder schrik ik me elke keer weer dood. Per 1 juli a.s. is dat ding verplicht op elke woonlaag. Dan heb ik er twee. Die ene van mij heeft nu al de neiging soms zomaar af te gaan, ook als er niets aanbrandt, het zogenaamde testmoment. Staat in de voorwaarden opgenomen, de kleine lettertjes. Je weet alleen nooit wanneer er getest wordt, net als bij een ontruimingsoefening. Een ander moment is mogelijk nog bedreigender voor je stress level: Als de batterijen bijna op zijn loeit hij ook, altijd tussen 2 en 4 uur ’s nachts en je vergeten bent waar je dat kreng opgehangen hebt, niet naast je bed! Hoog aan het plafond. Stel dat er juist dan de vlam in de pan slaat. Wat moet je dan eerst uitzetten?

Luid geluid

Vanochtend nog, een dikke bromvlieg in de slaapkamer gordijnen. Nog omgeven door de zweem van nachtmerries en eenhoorns, hoorde ik die eerst aan voor een reusachtige horzel. Klaarwakker. Ik stond meteen naast het bed! Het gedrocht joeg mij ook de gordijnen in, een duel. Ik koos voor het elektriseerracket. Bromsnor moest zich weren met zoemen (meervoud). Irritante, maar als je eenmaal wakker bent geen al te onoverwinnelijke wapens. Brommer geneutraliseerd, op straat gegooid.

Pufjes

Vrouwen laten geen scheten, ze laten pufjes, volgens mijn oudoom dan. Daarom gaan mannen ook eerder in een brassband, ze willen toeteren en roffelen. Vrouwen zie je vaker op snaarinstrument in de weer, ze willen liever strijken en tokkelen. Dus resumerend ;-). Mannen willen overal en altijd knallen. Vrouwen houden van stil vuurwerk, softe trillingen van de wind, luchtige stuwinkjes, vibrerende slaakjes. Mannen pakken een bladblazer. Vrouwen gaan voor mooie kleuren, liefst met zo min mogelijk bruin.

En als de man goed slaapt ruikt hij ook haar pufjes niet, zegt het volk de wetenschap na. Ergo: Liefde van de man gaat door de neus. Hoe dat omgekeerd zit heb ik me nooit afgevraagd. Heeft ook zijn charme 😉

Geuren en kleuren

Mijn geurzwemen hebben duidelijk vrouwelijke eigenschappen, zij trekken mij aan. Worden zij ook door mij aangetrokken? Hun aanwezigheid lijkt me samen te vallen met hun maandelijkse cyclus, want regelmatig denk ik ze te horen, langgerekt kermen, uit de verte. Mijn oren suizen dan en mijn neus begint ook te lopen. Ik hoor ze dan een lange minuut overal om mij heen, behalve in het bos zelf. Altijd in de verte. Pijnlijk loeiend lange uithalen, als of het hun ergens zeer doet. Ik zie nooit wat ik hoor.

Eb en zondvloed

De geursensatie ebt weg als ik stop met wandelen, ik moet blijven lopen, in de val lopen, maar in de val is er beloning noch straf, er resteert niets, terug naar af, opnieuw beginnen, een beetje als na vrijen in het echt. Ik schop een virtuele peuk tegen de oude eik, het bos vliegt in brand, na mij de zondvloed, maar nu neemt de breinvlaag een ongeloofwaardige wending, geloof ik.

De klepelgeur van een lokzweem is erger dan eczeem, want het kriebelknaagt gekmakend aan het neusvormig hersenaanhangsel, maar je kunt de jeuk niet wegkrabben, omdat het niet vanbuiten maar vanbinnen zit. Daaraan herken je fantoomjeuk. Een misdrijf tegen de medemenselijkheid. Geuren zijn lastig zichtbaar te maken. Wel indirect, via suggestie en projectie. Zie film Das Parfum. De lokstof doet mijn eigen lokken reflexmatig teruglokken. Actie reactie. Krullen krullen mijn wijkende haargrens tot een lonkende tippelzone tussen het geboomte. Alle zintuigen staan op scherp, maar het schot gaat niet af. Al maak ik er deel van uit, ik kan er niet voluit aan deelnemen, hoofse liefde tegen wil en dank. Een keer dacht ik dat ze me gevonden hadden, dichterbij kwamen, me kwamen halen. Ik bond mijzelf vast aan de oude eik, mijn mast in bange dagen, opdat ik niet zou toegeven, spitste mijn oren en neus, hoorde ze weer uit de verte naderen, keek op mijn horloge: twaalf uur, eerste maandag van maand. I am a burning man.

Zouden vrouwen mijn klepelgeurvlagen ook opmerken? Zijn zij de producent? Ga ik uitzoeken. Ooit stond ik met haar aan de rand van een pruttelende vulkaan, heftig. Hoe onzijdig is een bos eigenlijk?

pruttelende vulkaan In Costa Rica


Categorieën:dromen, Geloof, Humor, Liefde, natuur, Schrijven, sexy, Uncategorized, Verhalen

Tags: , , , , , , , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: